Winsten en voordelen

Akkerranden kunnen:

  • De mate van bestuiving verhogen. De noodzaak om honingbijen te beheren verminderen.
  • Het niveau van natuurlijke plaagbestrijding verhogen. De noodzaak om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken verminderen.
  • Erosie verminderen, zowel door wind als water.
  • Minder drift en afspoeling van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen in de aangrenzende wateren.
  • De waardering van de burger voor het akkerlandschap vergroten.

In onderstaande tekst gaan we dieper in op het nut van de akkerrand in de plaagbestrijding en in vermindering van erosie.

Plaagbestrijding

Akkerranden ondersteunen de natuurlijke plaagbestrijding door:

  1. Te fungeren als een permanente bronhabitat voor natuurlijke vijanden (zoals loopkevers, spinnen) van waaruit ze zich in het perceel kunnen verspreiden, of;
  2. Door voedsel of beschutting te bieden wanneer deze kritisch nodig zijn, bijvoorbeeld stuifmeel en nectar voor soorten zoals groene gaasvliegen en zweefvliegen (van Rijn & Wäckers 2016). Of bloemen een beperkende factor zijn in het landschap, hangt uiteraard af van het landschap waarin uw bedrijf zich bevindt (Rusch et al., 2016; Van Rijn, 2017).

1. Akkerranden als een permanent habitat

Stroken vegetatie in de randen van akkers kunnen het habitat zijn van veel (bodemactieve) predatoren, waaronder veel verschillende soorten spinnen, loopkevers (Carabidae) en kortschildkevers (Staphylinidae) (Mansion-Vaquie et al., 2017). Deze soorten kunnen in een akkerrand leven wanneer deze een minimum aan hulpbronnen biedt die nodig zijn tijdens alle stadia van hun levenscyclus (Kampichle et al. 2000). Dit omvat prooien voor zowel jonge als volwassen stadia, dekking tegen vorst in de winter (Pfiffner & Luka, 2000; Galle et al., 2018), dekking om zich te verbergen voor hun predatoren (Davey et al., 2013), etc.

 

Krabspin die een zweefvlieg vangt (Foto: HOGENT)

De predatoren die in deze stroken leven, worden ertoe aangezet om zich naar de akker te verplaatsen

  • om concurrentie te vermijden wanneer - na voortplanting - de dichtheden toenemen, en/of
  • om te profiteren van hoge prooidierniveaus in de akker, bv. als gevolg van uitbraken van plagen.

Kenmerken van de akkerranden

Om generalistische, bodembewonende predatoren te ondersteunen moet de akkerrand aan de volgende kenmerken voldoen (Kampichler et al., 2000):

  • permanent, volgroeid, weinig verstoord,
  • breedte 3 meter of meer,
  • meerdere meerjarige plantensoorten, een combinatie van grassen en kruiden (Mansion-Vaquie et al., 2017),
  • voldoende bedekking in de winter (niet maaien in de herfst of winter) (Pywell et al., 2005),
  • verbonden met andere habitats.

Om de plaagbestrijding in de aangrenzende akkers te beïnvloeden, mogen de soorten die deze akkerranden bewonen niet te veel verschillen van de soorten die (potentieel) de akkers bewonen, wat mede bepaald wordt door de structuur en familiesamenstelling van de twee habitats. Grasrijke akkerranden zijn daarom effectiever voor plaagbestrijding door spinnen en andere bodembewonende predatoren in graangewassen dan andere halfnatuurlijke habitats (Mansion-Vaquie et al., 2017).

2. Akkerranden als bron van stuifmeel 

Door een beter begrip van de levenscycli van nuttige insecten weten we nu dat voor veel van hen bloemrijk voedsel essentieel is voor hun bestaan. Veel natuurlijke vijanden van onze plagen voeden zich in hun larvale fase met prooien of gastheren, terwijl ze zich als volwassen insect voeden met bloemen (nectar en stuifmeel).

Vliegende natuurlijke vijanden van plagen, zoals zweefvliegen, gaasvliegen en sluipwespen, hebben in het volwassen stadium nectar en vaak ook stuifmeel nodig als voedselbron. Het stuifmeel is nodig als eiwitbron voor de ontwikkeling van de eitjes. De nectar is nodig als energiebron om te vliegen en te overleven. Vaak hebben ze de nectar zelfs regelmatig nodig, wat betekent dat deze op korte afstand beschikbaar moet zijn van de akkers die u wilt laten beschermen tegen schadelijke organismen. Aangezien onkruid en andere bloeiende planten zeldzaam zijn geworden in moderne landbouwlandschappen, worden nu steeds meer akkerrandstroken gepromoot om het verlies van deze hulpbronnen te compenseren. Welke plantensoorten geschikt zijn om deze natuurlijke vijanden te voeden, wordt uitgelegd in "Selectie van plantensoorten".

                                                                                                                                                        Larven van de galmug op zoek naar bladluizen  (foto: HOGENT)

 

Erosie: wind en water

Door de toepassing van akkerranden en bloemenstroken wordt de bodem gedurende een aanzienlijke periode van het jaar bedekt. Het effect van water- en bodemerosie wordt verminderd door bodembedekking met (diep) wortelende planten. Een tweede effect ontstaat wanneer een bloemenstrook aan de rand van een hellend veld ligt: de bloemenstrook kan de geërodeerde deeltjes opvangen en vasthouden wanneer op een andere plaats op het veld erosie optreedt.

Bloemstroken kunnen op elk bodemtype en bij elke vruchtwisseling worden toegepast. Slechts een deel van de akker wordt als bloemenstrook ingenomen.  Een meerjarige bloemenmengsel is doeltreffender omdat men die slechts één keer in de 4 jaar zaait, dus een minder beheerde bodem en een diepere beworteling. De oriëntatie van een bloemenstrook is belangrijk in geval van winderosie. Een bloemenstrook is beperkt in de hoogte, dus zal ze de wind niet breken. Ze kan echter wel de windsnelheden vertragen en losse erosiedeeltjes opvangen van de grond naast de bloemstrook. Voor watererosie is het belangrijk dat de bloemenstrook onderaan de helling ligt.

Een mogelijke uitdaging kan zich voordoen wanneer door watererosie slib zich ophoopt op de bloemenstrook. Veel bloemen kunnen hier niet tegen. Dit kan worden opgelost door een speciaal mengsel te kiezen met soorten die hier bestand tegen zijn. Ook het toevoegen van meer niet-concurrerende grassen aan het mengsel is een manier om een stevigere zode te krijgen.

Bloemenstrook naast voederbieten (België).